"Murder At Circus Fantastique"
“Someone’s gotta do it.” Vince Gold hung up the phone and crept through the abandoned circus. The sky was darkened; the only light that illuminated his path came from the Ferris wheel, which, with its numerous golden lamps, lit up the attraction park just enough for the detective to see where he was going. There was no one around, until Gold fit his way into the biggest tent of the domain. A man with bright blue eyes stood there, examining a poster on the wall. There was a cast around his right leg, and he leaned against crutches.
“Vickie’s caravan,” he said without looking at Gold. The investigator frowned. Then, “Wait.” The man’s bright eyes finally rested on the detective. “I’ll come with you.”
There was something strange about the man, about the way he limped out of the tent without a word. Detective Gold walked after him, past the Ferris wheel and the mini roller coaster. Everything was shut down. There was a chill in the night air. Gold and the man from the tent arrived at a lonesome caravan standing somewhat far away from the rest of the attractions. The thing was old and there was a horrible smell coming from inside. The man stopped for a moment, and looked at the vehicle. “He’s inside there?” asked the detective. “How long did it take you to find out—”
“The man died sometime today.” The man sniffed.
Gold walked forward, but the man with the injured leg stopped him. “Wait a second. I just want to warn you—weird things have happened inside that caravan. Vickie is the new fortune teller around here. She’s seen strange things. Ghosts, for one thing.”
Vince Gold didn’t believe in the paranormal. He crossed the yard and peered inside the caravan. He coughed. His nose wrinkled. It smelled like dead flesh; a scent he knew well. Gold leaned down the moment he saw the body. It was lying face down on the floor. Gold wiped away a few chards of purple glass from on top of the dead man in order to check for injuries.
There was the sound of footsteps, and a flashlight being swung around the yard. “What are you doing in my caravan?” It was a woman, coming up from behind Gold. God figured she was Vickie, the fortune teller, for she wore a purple turban around her head. Vickie squealed when she saw the dead man.
“That man - he came to my caravan yesterday. He wanted to know his future, so I told him. He smashed my crystal ball when I said he was going to kill someone. He was angry. It wasn’t what he wanted to hear.”
Gold peered at her for a second, unable to say anything. He searched the woman’s eyes, and she looked back at him with an agonized expression. Vince Gold walked from the caravan and sped up to the man with the broken leg, who had already been limping away, bored. “It was an accident, I assume,” said the man idly, staring out into the darkness of the circus. “The guy goes back to the caravan to say sorry to Vickie for smashing her beautiful purple ball, then there’s obviously this ghost who trips him or something like that, and he breaks his neck.”
“No,” said Gold. He didn’t believe in ghosts, for one thing—but he had heard and seen something else that confused him. “Vickie has something to hide. Her story doesn’t add up.”
Dutch translation for the Interscholaire competition:
“Ga het maar uitzoeken, kijk wat je kan vinden. Het is daar griezelig, heb ik gehoord.”
“Iemand moet het doen.” Vince Goud hing zijn telefoon op en kroop door het verwaarloosde circus. De lucht was donker; het enige licht dat zijn zicht ophelderde was dat van het reuzenrad, dat met zijn talrijke kleine lampjes het hele attractiepark bescheen. Omdat het circus al voor de nacht gesloten was, liep er werkelijk niemand rond—totdat Goud de grootste tent in liep, zoekend naar iemand om te spreken.
In de rood en geel gestreepte tent stond een man met zeer heldere blauwe ogen. Hij keek aandachtig naar een poster op de muur. Hij had verband om zijn rechterbeen, en leunde op krukken. “Vickie’s karavaan,” zei hij, zonder naar Goud te kijken. De rechercheur fronste. Toen keek de onbekende man Goud eindelijk aan. “Wacht. Ik kom wel mee.”
Er was iets vreemds aan de hand met de man, die hinkend de tent uitliep zonder verder iets te zeggen. De agent volgde hem, en samen liepen ze langs het reuzenrad en verder de duisternis in. Alles was potdicht en er hing een kilte in de avondlucht. Rechercheur Goud en de man met de krukken naderden een karavaan die afgezonderd lag van de andere attracties. Het ding was oud en roestig, en er hing een vreselijke stank in de lucht. De man met wie Goud liep stopte een poos lang en keek naar de wagen.
“Is hij daarbinnen?” vroeg Goud. “Hoe lang duurde het voordat—” “Hij is vandaag doodgegaan.” De man snoof.
Goud liep naar voren, maar de man hield hem tegen. “Wacht. Doe voorzichtig. Rare dingen zijn er gebeurd in die karavaan. Vickie is de nieuwe waarzegster van dit circus—ze is twee dagen geleden aangenomen en heeft al zoveel onverklaarbare dingen gezien en gehoord…”
Goud had nooit geloofd in paranormale zaken. Hij doorkruiste het dode gras en keek binnen de woonwagen. Door de stank hoestte hij. Het rook naar uitgestorven mensenvlees. Goud hurkte naast het lichaam van de man, die op zijn buik op de grond lag. De ogen van de rechercheur gleden langs het interieur van de karavaan, maar verder was alles op zijn plek. Goud veegde wat scherven paars glas van het lichaam om de staat van het lijk te onderzoeken—geen duidelijke sporen van letsel waren te zien. Goud hoorde voetstappen van buiten de wagen, en hij nam het licht van een zaklamp waar.
“Wat doen jullie in mijn karavaan?” Het was de stem van een vrouw, die de wagen instapte achter de agent. Goud onderstelde dat zij Vickie, de waarzegster was, omdat ze zo gesteld was op deze karavaan. Vickie slaakte een kreet toen ze het lijk zag. “Ik ken deze man. Hij kwam gisteren naar mij toe om zijn lot te horen. Hij pakte mijn glazen bol vast en smeet het op de grond toen ik hem vertelde dat hij iemand zou vermoorden. Dat wilde hij niet horen.”
Goud bestudeerde haar. Zij keek terug naar hem met een peinzende blik, en volgde hem met zijn ogen terwijl hij de karavaan uitliep. De rechercheur ging achter de man met de gebroken been aan, die al, verveeld, wegliep. “De dood van die man was een ongeluk, neem ik aan,” zei de man oppervlakkig. “Hij was teruggegaan om zich tegenover Vickie te verontschuldigen, voor het vernietigen van haar paarse bol. Een geest zorgt dat hij struikelt, hij breekt zijn nek—”
“Nee,” zei Goud. Hij geloofde niet in geesten, maar dat was niet waar hij verontrust over was. “Het verhaal van Vickie klopt niet; dat weet jij ook. Vickie verbergt iets.”